De jacht op roofkunst
Al twintig jaar leidt Rudi Ekkart de zoektocht naar de rechtmatige eigenaren van roofkunst uit de oorlog. Van stoppen wil hij niet weten. De herkomst van zeker honderd objecten is nog steeds niet bekend.
Tekst: Henny de Lange

Blijven hopen op die ene tip

De kans wordt steeds kleiner, maar Rudi Ekkart blijft hopen op die ene tip. Een aanwijzing, hoe summier ook, die kan leiden naar een onbekende Joodse vrouw. In 1943 meldde ze zich bij kunsthandelaar Gustav Cramer in Den Haag. Twee achttiende-eeuwse schilderijen verkocht ze aan hem, omdat ze als onderduikster geld nodig had.

Die twee doeken, een landschap en een portret, hangen nu in de Bergkerk in Deventer op een tentoonstelling. Die belicht voor het eerst het verhaal over de handel, roof en teruggave van Nederlandse kunstwerken voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. “Deze twee schilderijen wilde ik er beslist in”, zegt Ekkart (1947), die de tentoonstelling met zestig kunstwerken samenstelde met collega-onderzoeker Eelke Muller. Ekkart leidt al twintig jaar als voorzitter van de Commissie Herkomst Gezocht de naspeuringen naar de rechtmatige eigenaren van ‘roofkunst’.

Foto boven: Het is 1945, kort na de Duitse overgave. Kapitein James Rorimer van de Amerikaanse Monuments Men, de ‘roofkunst’-afdeling van het Amerikaanse leger, houdt toezicht terwijl zijn soldaten door nazi’s geroofde en gekochte schilderijen de trap afdragen van Kasteel Neuschwanstein in Beieren. (FOTO NARA)
Wie is Rudi Ekkart?

Rudi Ekkart (1947) is kunsthistoricus en was van 1990 tot 2012 directeur van het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Van 2003 tot 2012 was hij hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht. Sinds 1997 leidt hij het onderzoek naar kunstwerken die tijdens de Tweede Wereldoorlog verdwenen in Duitse handen. Op zijn initiatief werden de regels voor teruggave van roofkunst ruimhartiger en minder bureaucratisch.

Het blijft hem maar bezighouden dat zich al die jaren nooit iemand heeft gemeld met informatie over de Joodse onderduikster. Kunsthandelaar Cramer, zelf ook Joods, registreerde wel de aankoop van de twee werken: een rivierlandschap van Dionys Verburgh en een portret van graaf Friedrich II van Hessen-Kassel door Johann Heinrich Fischbein. Maar de naam van de vrouw heeft hij nergens vastgelegd. Hij wilde voorkomen dat de Duitsers haar via zijn administratie zouden kunnen opsporen. Ekkart: “Cramer overleefde de oorlog, maar kon zich haar naam naderhand niet meer herinneren. Mogelijk wilde hij die ook niet eens weten.”

Tienduizenden kunstwerken van particulieren en handelaren kwamen in Duitse handen. Nederland was voor de oorlog een belangrijk centrum van de internationale kunsthandel. Ook zaten er veel Joodse kunsthandelaren in Amsterdam. Dat verklaart dat relatief veel kunst uit Nederland is weggehaald. Dat gebeurde door gedwongen verkoop en georganiseerde roof. De meeste Joodse kunsthandels werden opgeheven of kwamen onder Duits beheer, waarna ze leeg werden geplunderd. Daarnaast was er, zeker aan het begin van de oorlog, ook sprake van vrijwillige verkoop. Ekkart: “De kunstprijzen stegen door de verzameldrift van Hitler en Göring toen zo snel, dat sommige handelaren, maar ook particulieren, de verleiding niet konden weerstaan om hun kunstwerken van de hand te doen.”

Een rivierlandschap met ruïne en een stad in de verte, geschilderd door Dionys Verburg (in ca. 1680)

Na de oorlog

Na de oorlog stuurde het Amerikaanse leger zo’n 15.000 kunstobjecten terug. Als zou blijken dat het om roofgoed ging, moest de Nederlandse staat dat overdragen aan de rechtmatige eigenaren. Iedereen die kunst had verkocht aan de Duitsers, al dan niet vrijwillig, moest aangifte doen. Ekkart: “Vele duizenden formulieren leverde dat op. Heel veel claims werden vervolgens afgewezen, omdat de regels erg streng waren. Mensen moesten met bewijzen komen, maar hoe doe je dat als je alles kwijt bent? Ook als je een schilderij had verkocht in ruil voor bescherming of om aan geld voor een vals paspoort te komen, kreeg je het niet terug. Het moest echt van je afgepakt zijn, maar dan kreeg je het nog niet zomaar mee. Je moest ook nog beheerskosten betalen. Lang niet iedereen kon dat, de mensen waren berooid.”

Later kwam er veel kritiek op de kille en bureaucratische houding van de staat. Al moeten we die volgens Ekkart wel zien in de zware omstandigheden van die tijd. In 1952 werd een punt gezet achter de restitutie. Van de resterende 4700 kunstwerken werden de minder waardevolle stukken geveild. De rest werd verdeeld over de musea of verdween in het rijksdepot.

Dat was de situatie die Ekkart – destijds directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie – twintig jaar geleden aantrof, toen er internationaal weer aandacht kwam voor het fenomeen roofkunst. Aanleiding waren onder meer de berichten over in Zwitserse banken bewaarde goudtegoeden. Ook werd melding gemaakt van roofkunst in Nederlandse musea. Het artikel ‘Overheid bezit grote collectie oorlogskunst’ van Lucette ter Borg in de Volkskrant op 23 mei 1997 leidde tot Kamervragen. Ekkart kreeg opdracht om onderzoek te doen naar de herkomst van de ‘oorlogskunst’ die werd beheerd door de staat.

⤷ Jacob Cuyp, Herderin met kind in een landschap, 1627

Dit schilderij behoorde tot de collectie van de Joodse textielfabrikant Jacques Hedeman uit Almelo. Aan het begin van de oorlog bracht hij zijn kunstcollectie onder in een kluis van een Amsterdamse bank. De verzameling is vervolgens ingeleverd bij de roofbank Liro en door de Duitsers verkocht. Hedeman vluchtte naar Zwitserland en overleefde de oorlog. 

In 2002 kocht het Dordrechts Museum dit schilderij van een Duitse particulier, die het had uitgeleend voor een tentoonstelling over Jacob Cuyp. Het was toen niet bekend dat het in de oorlog geroofd was. Bij een onderzoek door musea naar de herkomst van hun kunstwerken kwam dit aan het licht. Een doorslaggevend bewijs was het administratienummer van Liro op de achterkant van het doek. In 2015 heeft het museum het schilderij teruggekocht van de erfgenamen van Hedeman, die wilden dat het in het museum zou blijven.

Erfgenamen

Naar aanleiding van zijn conclusies werd de zoektocht naar de rechtmatige eigenaren hervat. Ook zouden claims voortaan ruimhartig worden beoordeeld. Het leidde tot vele tientallen restituties, waaronder de omvangrijke teruggave van honderden werken uit de collecties van de bankier Friedrich Gutmann en kunsthandelaar Goudstikker. In 2006 was er een tentoonstelling in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam in een ‘laatste poging’ eigenaren op te sporen van tientallen objecten, die hoogstwaarschijnlijk waren geroofd. Tot april 2007 zouden nog claims ingediend kunnen worden. Door deze expositie konden toch weer enkele stukken terug worden gegeven, waaronder een Joods drinkbekertje. Ook meldde zich nog een erfgenaam uit Zuid-Amerika, naar wie Ekkart en zijn medewerkers al jaren op zoek waren.

Tien jaar later is er nog steeds geen streep gezet onder de naspeuringen. En dat gaat ook niet gebeuren, zegt Ekkart. “De verwachting was destijds dat de stroom aan verzoeken binnen enkele jaren vanzelf zou ophouden. Daarom hebben we ook tijdslimieten gesteld. Inmiddels is duidelijk dat er nog voortdurend restitutieverzoeken binnenkomen. Ook internationaal staat het teruggavebeleid nog volop in de belangstelling. Dat komt ook doordat het aantal digitale bronnen dat mensen kunnen raadplegen, nog steeds wordt uitgebreid.”

Ekkart erkent dat het wel steeds moeilijker wordt om aan informatie te komen, nu de generatie die de oorlog nog heeft meegemaakt begint uit te sterven. “We krijgen steeds minder claims, die ook minder vaak gehonoreerd worden. Maar dat betekent niet dat we daarom maar moeten stoppen. Er zijn nog zoveel zaken niet goed onderzocht, zoals bijvoorbeeld die duizenden aangifteformulieren meteen na de oorlog.” Om het onderzoek te stroomlijnen en ook alle kennis te bundelen, is onlangs een nieuw expertisecentrum opgericht. Ekkart: “Het mooie van dit centrum is dat het niet alleen onderzoek doet voor de restitutiecommissie, maar ook voorlichting kan geven aan de potentiële indiener van een claim op een kunstwerk en aan de huidige bezitter ervan.”

⤷ Bartholomeus van der Helst, Portret van een jongetje op zijn doodsbed, 1645.

Dit schilderij komt uit de handelsvoorraad van de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Op de vlucht voor de nazi’s naar Amerika maakte hij een dodelijke val in het ruim van het schip. Hermann Göring kocht het voor zijn grote kunstcollectie van de Duitser Alois Miedl, die de firma Goudstikker zonder toestemming van de familie voortzette. Na de oorlog brachten de Amerikanen het schilderij terug. In 2002 werd het met nog 201 andere kunstwerken uit de collectie-Goudstikker teruggegeven aan diens erfgename en schoondochter Marei von Saher. Zij schonk het vervolgens uit erkentelijkheid aan de Nederlandse staat. Het is te zien in Museum Gouda, waar het voor de teruggave ook hing.

Advocatenkosten

Teleurgesteld is hij niet, nu er na al die jaren nog zeker honderd geroofde kunstwerken niet overgedragen konden worden aan de rechtmatige erfgenamen. Want naast de schrijnende verhalen en onopgeloste zaken, zijn er ook mooie ervaringen. Voor de tentoonstelling benaderde hij een vrouw die twee schilderijen terug heeft gekregen die van haar vader waren geroofd. “Ze wilde ze niet aan ons uitlenen. Emotioneel betekenen ze zoveel voor haar, dat ze ze nooit meer wil afstaan.”

“Juist zulke zaken, waarbij de rechthebbenden zeer nauw verbonden zijn met de oorspronkelijke eigenaar en vaak ook zelf nog persoonlijke herinneringen hebben aan de kunstwerken, zijn voor mij en mijn medewerkers een belangrijke stimulans om door te gaan.”

Nee, als hij al ergens teleurgesteld over is, is dat een groot percentage van de kunstwerken meteen na teruggave wordt verkocht. Niet alleen omdat er vaak meerdere erfgenamen zijn die allemaal hun deel opeisen. Maar ook om de kosten van de advocaat te kunnen betalen. Dat speelt vooral bij erfgenamen in Amerika, waar het no-cure-no-paysysteem geldt. Ekkart: “Marei von Saher, de schoondochter van de Joodse kunsthandelaar Goudstikker, droomde aanvankelijk van een museum voor de collectie van haar schoonvader. Maar na de teruggave van 202 werken in 2002 moest ze er meteen een groot aantal verkopen om de advocaatkosten te kunnen betalen. En dan te bedenken dat ze ook zonder die dure advocaten de collectie had gekregen op grond van het soepelere teruggavebeleid. Helaas krijgen we steeds vaker te maken met internationale advocatenkantoren die zich specialiseren in het opsporen van roofkunst en op eigen initiatief op zoek gaan naar interessante gevallen.”

Moe is Ekkart niet na twintig jaar onderzoek, dat vaak iets weg heeft van ‘recherchewerk’. Hij is vastbesloten om zo lang als het gaat – eind dit jaar wordt hij 70 – door te werken. “Het is nog niet klaar.”

Tentoonstelling

De expositie Roofkunst voor, tijdens en na WO II is vanaf morgen t/m 27 augustus te zien in de Bergkerk in Deventer. De Ter Borch Stichting, een particulier initiatief van Daaf Ledeboer en Eva Kleemann, gaf de aanzet. De stichting wil het publiek kennis laten maken met kunstschatten uit de depots van het Rijk. Speciaal hiervoor is de twaalfde-eeuwse Bergkerk gerestaureerd.

Hieronder: W. van den Valckert, Familiegroep als Caritas, 1623. De pro-Duitse kunsthandelaar Walter Paech in Amsterdam verkocht dit schilderij aan het Stadtmuseum in Düsseldorf. Na de oorlog werd het als Nederlands kunstbezit teruggebracht door het Amerikaanse leger.