Select Page

De inheemse Sami dreigen alles te verliezen door klimaatverandering

De inheemse Sami dreigen alles te verliezen door klimaatverandering

‘Straks is er van onze toendra weinig meer over.’ En dan? Sami-herder Marja vreest voor haar toekomst, en die van haar kinderen. Klimaatverandering bedreigt de inheemse herders en hun rendieren in het noorden van Zweden. Niet alleen hun leefomgeving, maar ook hun cultuur en levensonderhoud. Hoe kunnen ze overleven en tegen welke prijs?

Tekst: Yvonne Dudock
Fotografie: Nicole Franken
Cinematografie: Tom van Cakenberghe

Bekijk de korte documentaire of scroll naar beneden voor het verhaal.

Doet de video het niet? Klik dan hier.

 

Over de uitgestrekte toendra waait een harde wind, op het water van een meertje staan witte koppen. Een groep van zeven rendieren doet zich tegoed aan de grassen, paddenstoelen en lage bessenstruiken, hun grijswitte vachten steken af tegen de in herfstkleuren gehulde vlakte. Dit zijn in de zomer en herfst hun graasgronden. Hier, aan de voet van de bergen dicht bij de grens met Noorwegen, leggen ze de broodnodige vetreserves aan voor de naderende winter.

Bij de goahti, een traditionele plaggenhut, aan de rand van het meertje, slaan twee honden aan. Marja Skum kijkt op, een rond gezicht en donkere krullen half verstopt onder haar muts. Ze lijkt in niets op de Sami in de kleurrijke, traditionele kleding die we kennen uit de vakantiebrochures. Haar windjack, broek en laarzen zijn functioneel, bedoeld om buiten in te werken.

Samen met Per-Nils, haar stiefvader, maakt Skum de forellen schoon die ze net hebben gevangen. Behendig rijgt ze ze vervolgens aan een tak en hangt ze te roken boven het vuur in de goahti. “De Sami zijn diep verbonden met de natuur, het vormt een cruciaal onderdeel van ons leven en onze cultuur. Het land heeft ons zo veel te bieden, maar we nemen alleen wat we nodig hebben, hernieuwbare bronnen zoals vis, paddenstoelen of bessen. De rest laten we over voor anderen. Volgens onze cultuur lenen we het land van toekomstige generaties.”

30 graden op de toendra

Al eeuwenlang staan rendieren centraal in het bestaan van de Sami. Ze volgen het ritme van de dieren, de seizoenen en vruchtbare graasgronden, en voorzien in hun levensonderhoud met de opbrengst van het vlees, de vacht en geweien. Ook Skums familie. Haar man Johan is herder, net als haar vader, haar opa en de vele generaties daarvoor.

Als klein kind groeide ze op tussen de rendieren en leerde de Sami-tradities en manier van leven door mee te helpen en te kijken hoe haar ouders dingen deden. “Het heeft me gevormd tot wie ik ben. In Zweden zijn we een minderheid en ik wil onze tradities, onze cultuur voortzetten en doorgeven aan mijn eigen kinderen.”

“Wij leren door te doen. Mijn dochter Risten-Alida (10) en zoon Ánte Johan Máhtte (6) zijn daarom zoveel mogelijk bij ons. Als we met de rendieren werken, als we de natuur in gaan. Ze helpen bijvoorbeeld bij het gras snijden en Risten-Alida helpt al met het oormerken van de jonge kalfjes.”

Sápmi, het land van de Sami, beslaat het noordelijk deel van Noorwegen, Zweden, Finland en een klein deel van Rusland. Er wonen zo’n 70.000 Sami, waarvan ongeveer 20.000 in Zweden.

Het merendeel daarvan beoefent geen traditioneel beroep, slechts 2.500 Sami hebben de rendierhouderij als belangrijkste bron van inkomsten. Bij elkaar bezitten zij 250.000 rendieren en officieel beslaan de graasgronden ten minste 50 procent van Zweden. Dat percentage ligt in werkelijkheid veel lager en neemt verder af door klimaatverandering en vercommercialisering van het land.

Maar het levensonderhoud van de Sami-herders, en daarmee hun cultuur, staat zwaar onder druk. Een van de bedreigingen is klimaatverandering, die in het arctisch gebied zo’n twee tot drie keer sneller gaat dan in de rest van de wereld. Deze zomer tikte het kwik in Noord-Zweden zelfs een onwaarschijnlijke 30 graden aan.

Skum: “Stijgende temperaturen en veranderende weerpatronen tasten het kwetsbare ecosysteem aan, waardoor het hoeden van rendieren moeilijker wordt en, niet onbelangrijk, aanzienlijk duurder. Zowel in de zomer als in de winter zien we het landschap veranderen.”

Ze wijst naar de hoge struiken rond het meer. “Die horen niet thuis op de toendra, maar door de hogere temperaturen groeien ze hier wel en verdringen ze de andere vegetatie. Bovendien houden ze de warmte van de zon lang vast waardoor de temperatuur nog verder stijgt.” 

Ook de boomgrens kruipt steeds hoger en sneeuw en gletsjers verdwijnen in snel tempo. “De toendra, de voedselbron voor onze rendieren, moet een open ruimte zijn. De wind moet vrij spel hebben, verkoeling geven en insecten weghouden, die ziektes brengen en gewassen aantasten.”

Ze kijkt uit over de vlakte en het meer, volgens de Sami-traditie een meer waar alleen zij in mag vissen. “Ook het water warmt steeds verder op en tast de visstand aan. Neem de trekzalm, een vis die leeft in koud water en nu dreigt uit te sterven. Nee, er moet snel iets veranderen, anders is er straks van de toendra weinig meer over.”

Te dun ijs voor hele kuddes

De gevolgen van klimaatverandering zijn in de zomer nog mild vergeleken met die in de winter. Waar sneeuw en kou de norm horen te zijn, zijn regen, late vorst en vroege dooi tegenwoordig schering en inslag. “Regen in de winter is niet normaal”, zegt Skum.

“In de winter lopen de rendieren vrij rond over de uitgestrekte graasgronden aan de kust, op zoek naar korstmos. Door regen en periodes waarin het afwisselend vriest en dooit, ontstaat onder de sneeuw een laag ijs. Het voedsel voor de rendieren ligt er dan nog wel, maar ze kunnen er eenvoudigweg niet bij. Met hun hoeven kunnen ze het dikke ijs niet breken. Het gevolg is dat ze verzwakken of in het ergste geval verhongeren.”

Om ze te redden kopen de Sami voer voor hun dieren. Dat kost niet alleen geld, maar ook extra tijd voor het bijeendrijven en binnen een omheining plaatsen van de kudde. “Daar staan ze relatief dicht op elkaar en eten ze van dezelfde voederplekken. Ziektes, waar ze anders nooit mee te maken hebben, kunnen zich dan gemakkelijk verspreiden en de gezondheid van de kudde aantasten. En zo ons levensonderhoud.”

Ook de eeuwenoude migratieroutes van de rendieren, die van de bergen naar de kust gaan, veelal over de bevroren rivieren en meren van de Vindelvallei, worden bedreigd door de opwarming van de aarde. Het ijs van deze rivieren en meren, die later bevriezen en eerder ontdooien, is onbetrouwbaar geworden. “Daar kunnen geen kuddes van duizenden dieren meer over trekken”, legt Skum uit. 

“Alternatieve routes zijn er vaak niet. Er zijn steeds meer wegen die we moeten oversteken, er komt steeds meer bebouwing en er zijn andere obstakels. De enige oplossing is dat we de dieren per vrachtwagen vervoeren. Het transport, het bijvoeren, het zijn allemaal kosten die we maar moeten zien op te hoesten.”

vechten als david tegen goliath

De opwarming van het arctisch gebied vergroot ook de economische belangstelling in de regio. Zo heeft de Zweedse overheid onder andere vergunningen afgegeven voor mijnbouw, windmolenparken en bosbouw. Door deze commercialisering verandert het landschap van met name de wintergraasgronden ingrijpend. 

“De natuur waarin we leven wordt steeds kleiner”, vertelt Skum. “We proberen onze graasgronden zo goed mogelijk te beschermen, maar het is zoals David en Goliath. De bosbouwers, de overheid, de eigenaren van windmolenparken, ze zeggen allemaal: het gaat maar om een klein stuk land. Maar al die stukjes bij elkaar beslaan een steeds groter deel van onze graasgronden. En het gaat heel snel. De impact op ons leven, onze toekomst wordt niet begrepen. Het lijkt wel of alleen wij het totaalplaatje zien.”

Rendieren zijn bovendien gevoelige dieren. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat het geluid van continu draaiende windturbines de rendieren verstoort en dat ze de grond rondom de windmolenparken mijden. “Of neem de bosbouw. Hele stukken bos worden in een keer gekapt. Niet alleen bomen verdwijnen dan, maar ook het voedsel voor de rendieren.”

De nieuwe aanplant lijkt op het oog een gewoon bos, maar de bomen worden in dichte rijen aangelegd. Bovendien wordt een boomsoort gebruikt die hard groeit, zowel in de hoogte als in de breedte. “Door de dichte begroeiing kunnen de rendieren er nauwelijks doorheen en omdat er geen licht op de bodem komt, groeit er geen mos, geen gras, niets. Het natuurlijk evenwicht is verstoord en ook hierom moeten we ze bijvoeren.”

‘Niemand luistert naar ons’

Een paar dagen later worden de rendieren op de toendra bijeengedreven om de laatste kalveren te oormerken en om een aantal stieren te slachten voor eigen gebruik. Binnen twee grote omheiningen staan duizenden rendieren. Met een scherp oog scant Skum de oren van de volwassen rendieren, elke herder heeft zijn eigen unieke handtekening, een oormerk, waaraan de dieren te herkennen zijn. En omdat een kalf altijd dicht bij zijn moeder blijft, weet ze precies welk kalf van haar is en nog geoormerkt moet worden.

“Mijn vader hoefde zich vroeger alleen maar zorgen te maken over de rendieren en het weer. Voor onze generatie is het leven veel stressvoller. Al meer dan vijftien jaar merken we de effecten van klimaatverandering en bijna niemand luistert naar ons. We zijn een inheems volk, een minderheid, en als wij verdwijnen, verdwijnt ook de natuur, de biodiversiteit. Er is dan niemand meer om de natuur te begrijpen en te beschermen. Dat is een keihard feit, niet alleen hier in Zweden, maar overal ter wereld.”

Routineus werpt ze haar lasso rond de achterpoot van een kalf. Een paar minuten later loopt het dier alweer rond, mét een oormerk. Niet alleen binnen de omheining, ook daarbuiten is het een en al bedrijvigheid. Bij dit soort bijeenkomsten zijn niet alleen de herders aanwezig, hele families komen hier samen, om elkaar te helpen, om de kinderen de Sami manier van leven te leren.

“Mijn droom is dat mijn kinderen de keuze hebben om met rendieren te werken. Maar ik maak me daar wel zorgen om. Een rendier is een arctisch dier, gebouwd om koude temperaturen en barre omstandigheden te doorstaan. Kunnen zij zich wel aanpassen aan een warmer klimaat?”

De Sami-gemeenschap waar Marja toebehoort werkt aan een project met verschillende scenario’s: wat gebeurt er als het vier graden warmer wordt, zes, of acht graden? “Mijn generatie en de generaties daarvoor hebben geprobeerd zich aan te passen, maar we hebben nu een niveau bereikt waarop we moeten zeggen: tot hier en niet verder. Als we ons nog meer aanpassen, zal onze cultuur verdwijnen.”

“Onze veerkracht is veranderd in een strijd voor behoud van onze cultuur. Een strijd die veel energie kost die ik liever steek in het hoeden van rendieren. Maar in plaats daarvan ga ik de dialoog aan met bedrijven, schrijf ik brieven aan de premier, aan iedereen die ons kan, nee, moet helpen.’

Om die reden maakt haar sameby, een financiële en administratieve vakbond die de rendierherders organiseert, ook deel uit van de Vindelälven-Juhttátahkka Biosphere Reserve, een organisatie waarin belanghebbenden samenwerken voor een duurzame ontwikkeling van het gebied. “Ik ben een van bestuursleden van deze organisatie. Het is voor ons een manier om de natuur en de biodiversiteit van onze graasgronden te beschermen, van de bergen tot aan de kust. Het is ook een platform waar we ideeën en kennis uitwisselen met iedereen die in de biosfeerregio woont. Wederzijds begrip en informatie zijn belangrijk voor ons als minderheid.”

De zon staat al laag en werpt lange schaduwen. De rendieren zijn vrijgelaten en verspreiden zich weer over de toendra. Voor Marja zit het werk voor vandaag er weer op. “Weet je wat ik als oorzaak zie van klimaatverandering? Overconsumptie.’ Ze lacht. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik hou van mijn manier van leven, ik kan mijn eigen tijd bepalen, ik geniet van de natuur, de bergen, de rivieren. Maar niet weten hoe de situatie over tien of twintig jaar zal zijn, of en hoe we in de toekomst kunnen overleven, daar maak ik me ernstig zorgen over.’

Dit artikel werd gerealiseerd met de steun van het Matching Fonds, het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek en het Postcode Loterij Fonds van Free Press Unlimited

Volg ons:

Website: Charlot Verlouw. Met dank aan Jan Kruidhof.