Ontheemd sinds 1948

Ieder jaar herdenken Palestijnen overal ter wereld de Nakba, de volksverhuizing van Palestijnen die volgde op het uitroepen van de staat Israël in 1948. Palestijnen kwamen overal terecht: van Honduras tot Zweden, van Chili tot de Verenigde Staten. De meesten hopen ooit nog terug te mogen keren, maar de kans daarop lijkt niet heel groot.

Zes fotografen, waaronder de Nederlander Kadir van Lohuizen en de Palestijnse Rula Halawani, brengen hun verhalen tot leven.

Tekst: Romana Abels
Scroll omlaag om verder te lezen.

Victoria Larach (80)

Ex-onderwijzer, woont in Honduras.

“In 1948 was ik tien jaar. We woonden in Beit Jala. Mijn vader had een winkeltje in huishoudelijke artikelen in Jeruzalem, maar toen niet meer. Ik weet nog dat we weinig te eten hadden en dat mijn vader in één klap zijn vele Joodse vrienden kwijtraakte.

Nu woon ik in Honduras. Ik ben hierheen verhuisd in 1962, met mijn man Ricardo. Hij kwam hiervandaan. Ik schrok me een ongeluk toen we hier aankwamen. Het was stervensheet. Sommige straten waren niet eens geplaveid.

Ik sprak geen woord Spaans. In het begin had ik vreselijk veel heimwee. Heel langzaam ben ik me hier thuis gaan voelen.”

“Ik ben nog een paar keer teruggeweest in Palestina. De eerste keer was in 1967, toen ik had bedacht dat mijn dochter daar naar school zou moeten. Zijzelf had er helemaal geen trek in, dus we kwamen weer terug. Een paar dagen later begon de Zesdaagse Oorlog.

De laatste keer dat ik mijn familie daar bezocht, was in 2013. Ik vind het verdrietig om de checkpoints te zien, de muur, te zien hoe ze de mensen behandelen, hoe de mensen daar lijden.

Ik zou willen dat er tijdens mijn leven nog vrede komt. Dat kan.”

Fakhri Eltelawi (88)

Vader van 9 jongens en 3 meisjes. Woont in vluchtelingenkamp al-Baqa’a in Jordanië.

“Het meest mis ik de kippen. Ik speelde altijd met de kippen. Ik rende ze achterna, ik ving ze. En ik mis de bruiloften, als de mannen op paarden rond het dorp reden en de bruidegom, ook te paard, door het hele dorp werd toegezongen.

Nu woon ik al zo lang in Jordanië dat het mijn thuis is geworden. Ik zeg altijd tegen mijn kinderen: mijn bloed is Jordaans, maar mijn ziel is Palestijns.

“In 1948 verloor ik in zekere zin mijn leven en dat van mijn kinderen. Ik had een schitterend leven. We waren boeren in Palestina, met een heleboel land en een gelukkig leven. Maar toen kwamen ze ons dorp in, de zionisten, ze begonnen te schieten op mensen en dieren.

We sprongen op onze paarden en vluchtten. Eerst dachten we dat het voor een paar dagen zou zijn, maar het werden weken, maanden, jaren, waarin we in een vluchtelingenkamp in Jordanië terechtkwamen, overvol.

Het stikte er van de luizen, van de besmettelijke ziekten. Zoveel mensen stierven.”

“Het enige dat ik nog heb uit mijn dorp is een muntje. Ik hou het altijd bij me en als ik doodga geef ik het aan mijn kinderen. Die kunnen ermee terugkeren, ooit.”